Tien jaren die Appelscha deden sidderen.
Appelscha en de Federatie van Vrije Socialisten in de jaren '70.
De mythe van het begin
"Ce n'est qu'un début..."
Over de geschiedenis van de Nederlandse Federatie van Vrije Socialisten heb ik al eens geschreven (' Het moeilijke anarchisme' in De AS 126/127 (1999), p.47-57 en dan met name over het gedachtegoed of wat we toen noemden onze "collectieve verantwoordelijkheid", dus daarop kom ik verder niet terug. Ik weet zeker dat de lezer dat nummer nog in Appelscha kan krijgen, en daarom zal ik zoveel mogelijk herhaling proberen te vermijden. Wel wil ik hier proberen neer te schrijven welke rol in mijn herinnering "Appelscha" betekende voor de Federatie, ook al heb er niet alle vergaderingen gevolgd.. Want in Appelscha werd de federatie opgericht, zij kwam ervoor in de plaats en uiteindelijk is zij ook door Appelscha vervangen.
door Jan Bervoets
Het begon in 1970. Twee anarchistische groepen, die zich rond de tijdschriften De Vrije en Recht voor Allen bewogen, zouden samengaan. De Vrije kwam voort uit de individueel-anarchistische beweging van Domela Nieuwenhuis en Gerghard Rijnders, Recht voor Allen uit de federalistische en sociaalanarchistische beweging met een sterke achterban van oude landarbeiders. De oude tegenstellingen waren door de praktijk al lang vervaagd en de interne relaties waren steeds meer toevallig tot stand gekomen. Er was een nieuwe antiautoritaire stroming ontstaan die was begonnen met Provo in 1965-'66 en zich had ontladen in de studentenopstand van Parijs. Dat had voor mij een boodschap nagelaten waarvoor - dat vind ik nog! - alle oude organisatorische kaders hadden te zwichten. Want ik was vanuit mijn eigen ervaring in de studentenstrijd een overtuigend aanhanger van de leuze: als er kaders moesten worden gevormd, dan werd het "niet een organisatie van anarchisten, maar van de anarchie". Dat wil zeggen: de verandering van de maatschappij van onderaf was het einddoel waarvoor de eigen organisatie wel middel was, maar geen doel op zichzelf. Maar organisatie, dat merkten we als vakbondsleden, was wel noodzakelijk - er moesten aanspreekpunten zijn en verantwoordelijkheden worden gesteld. Maar de organisatie stond niet op zichzelf, dan zou zij in de plaats komen van het doel waarnaar zij streefde - en door eigen corruptie het doel vernietigen. Daarom kunnen situaties van buitenaf die organisatie veranderen en gaat het vooral om de vraag: wordt deze strijd tegen de onderdrukking en de macht van onderaf uitgebreid, of wijken we voor onderdrukking omdat onze organisatie zo belangrijk is?
.
Ik kwam in de federatie als pas afgestudeerde student met de overtuiging dat we in de democratiseringsbeweging binnen de universiteiten hadden deelgenomen aan de klassenstrijd; we hadden in Nijmegen met onze radenuniversiteit een nederlaag geleden tegen de belangen van de medische maffia, en het werd duidelijk dat we diezelfde strijd in de maatschappij zouden voortzetten. Maar de oplossing lag volgens mij niet in blinde solidariteit met volksrepublieken als de Sovjetunie of China. Mijn grote voorbeelden zijn Arthur Lehning en Albert de Jong, met wie ik kennis had gemaakt om de kennis over het anarchisme en de propaganda in Nijmegen verder uit te diepen. Geestverwanten waren er zowel bij De Vrije en Recht voor Allen, dat toen werd uitgegeven door het Noordelijk Gewest van Vrije Socialisten, waarbij met name de broers Geert en Henk de Groot en Joop Wandelee als eersten indruk op mij maakten als karakters die een man als Albert de Jong het meest nabij kwamen. Met hem maakte ik kennis tussen de eerste ontmoetingen die zouden leiden tot de samenwerking van het Noordelijk Gewest (zeg maar Appelscha) en De Vrije, waartoe ik mijzelf rekende. De Vrije bestond uit een kleine kern van redacteuren en een enkele medewerker (ik dus, want ik zat in de Nijmeegse studentenpers!), terwijl het Noordelijk Gewest plotseling uitbreiding kreeg van allerlei generatiegenoten uit Amsterdam en andere steden uit het westen, die onder inspiratie van Provo een eigen plaatselijke organisatie vormden.
Dat kwam zo: het laatste raadslid van Provo in de gemeenteraad, Roel van Duijn, die als anarchistisch theoreticus Provo was ingegaan, en met zijn strijd om de lieve revolutie zowel een reeks straatopstanden in Amsterdam als een zetel voor zijn partij in de gemeenteraad gewonnen. En omdat die zetel elk jaar rouleerde, was als vierde Roel van Duijn aan de beurt. Hij gebruikte het raadsdebat als forum voor allerlei initiatieven en nota's die ook landelijk belangrijk waren en die uit de anarchistische propaganda van de Vrije voortkwamen. Berucht is de Sabotagenota, waarin hij opriep om door sabotage van wapentuig in de kazernes de strijd tegen de oorlog aan te gaan. Tegelijkertijd richtte hij een nieuwe stadspartij op die landelijk herhaling kreeg, de Kabouterpartij, waarmee hij in 1969 vijf raadszetels won. Van Duijn propageerde zijn denkbeelden ook en opnieuw in de Vrije, maar kreeg daarop meteen kritiek, omdat hij ze als verkiezingsprogram gebruikte. En - zoals iedereen behoort te weten - echte anarchisten zijn tegen verkiezingen, met name Kropotkin!
In december 1969 verscheen het Duitse themablad Kursbuch, dat speciaal gewijd was aan kritiek op het anarchisme, maar dat voor een groot deel uit laster van de vulgair-Marxistische traditie bestaat. Tegenover de verdraaiingen van het anarchistisch gedachtengoed staan uitspraken van Marx en Engels over de noodzaak van discipline, en dat het antwoord is een voorhoede naar Leninistisch model Een van de medewerkers aan dit blad was Ton Regtien, die met de in Nederland werkende Duitse componist Konrad Boehmer een studie schreef over Provo. Dit stuk werd in het voorjaar in een Nederlandse versie uitgegeven door de SUN (toen: Socialistische Uitgeverij Nijmegen, namens de studentenoppositie), met een toevoeging over de kabouterpartij. Regtien, eigenlijk een consequent syndicalist in de stijl van het NAS, solliciteerde naar het lidmaatschap van de Communistische Partij om daarbinnen een soort basisdemocratie te verwezenlijken,- een gedachte die eigenlijk evenzeer utopisch was, zeker onder het regime van Paul de Groot, die de studentenbeweging fundamenteel wantrouwde.
Van Duyn en Regtien hebben elkaar getroffen in een forum, dat in 1970 op de PinksterLanddagen in Appelscha werden gehouden. Dit forum zou een teach-in worden als hoogtepunt voor een grote propagandamanifestatie worden voor het anarchisme, dat immers uiteindelijk gelijk heeft. Want hier spraken twee antagonisten die beiden naar mijn opvatting goede èn foute standpunten hadden. Dat vond ik in het studentenblad waarvan ik mederedacteur was. Het kwam uit met een extra nummers dat tevens als themanummer voor Appelscha diende en dat de PL 1970 openstelde voor "alle anti-autoritaire bewegingen in Nederland: Dolle Mina's, Kabouter, Studentenopposanten, Anarchisten, Pacifisten, Radensocialisten, etc." Zo ver is het niet gekomen, al was het maar door de drankzucht van al die opgeroepen aanhangers. Wel was deze Pinksterlanddag van historische betekenis, om twee redenen:
- zij bezegelde de verzoening bezegelde tussen de vrije socialisten van het westen en het Noordelijk Gewest, nu weer landelijke federatie
- de manifestatie werd bijgewoond door vierhonderd deelnemers, iets wat na de oorlog nog niet scheen te zijn voorgevallen.
En die discussie? Ach, je kunt ze volgen in de boekwerkjes van Regtien en van Duyn, die ik heb aangehaald. Er is, zoals gebruikelijk, niets aan toegevoegd. De bijeenkomst werd afgesloten door een oproep van Theo Harsman tot een algeheel bewustzijn van vrede, omdat we in een verdorven en verdomde wereld leefden, een oproep tot bewustzijn die ons op dat moment als een cliché over kwam..
De federatie
En met het noemen van Theo Harsman kom ik tot de persoonlijkheden die naar mijn beeld het gebeuren in Appelscha de komende jaren zo'n beetje hebben bepaald. Theo Harsman, Henk en Geert de Groot, Joop Wandelee waren of zijn (nog steeds!) toch wel de kopstukken van de oudere generatie, die blijvend de denkbeelden van het Noordelijk Gewest hebben uitgedragen: een samenlevingsverband met een traditie van geheelonthouding en geweldloze weerbaarheid, waarbij die weerbaarheid zich ogenschijnlijk soms meer uitte in (geproclameerde resultaten van) Bezinning dan in daden. Daarnaast mijn kameraden van De Vrije die bleven: Wim de Lobel en Hans Ramaer, die ordeverstoring niet schuwden; De Vrije hield rekening met proletarisch geweld, en nam geen afstand van de gebeurtenissen in 1965, zeker niet toen op de 14 juni arbeiders de Telegraaf bestormden. Maar wat belangrijker was, is de verandering die er in 1970 met de bezoekers had plaats gevonden: er was een nieuwe generatie ontstaan.
Tot dan toe was de anarchistische beweging, hoe men er ook over denken mag, een beweging van arbeiders, en voorzover dat het noordelijk gewest betrof, ook landarbeiders Voor een heleboel kameraden van vroeger was de strijd voor de vrijmaking van de arbeiders ook een strijd om eigen vrijmaking, in de hoop dat persoonlijke zelfverwerkelijking ook inspirerend werkte op aansluiting aan de strijd. Onze generatie had in ieder geval de materiële middelen om voor solidariteit te kiezen en daarvan gewetenszaken of idealen te maken. Dat hadden we niet door met onze lange haren en spijkerbroek met onze tegencultuur: wij begrepen niet waarom de paasmarsen van de geweldloze antimilitaristen juist in driedelig pak werden gehouden. Dat dit het triomfantelijke teken was van arbeiderswelstand tegen de verdrukking in: het bewijs dat arbeiders zich door ontzegging van verslavende middelen als drank en ander opium voor het volk ook persoonlijke rijkdom konden verwerven en daardoor een zekere vrijheid.
Onze generatie bergreep dan ook niet dat ene oudje, dar na lange strijd en veel sparen een eigen boer was geworden en er nu trots op was vrij te wezen van de maatschap-pelijke verdorvenheid van het kapitaal. Want schreef Bakoenin niet: " ik kan niet vrij zijn als niet allen, man of vrouw, vrij zullen zijn"? Want dat was onze inzet. Wij, meestal studenten of scholieren, zagen onze recente strijd steeds weer als het begin en wilden doorgaan met de strijd om door middel van onze organisatie de vrijheid voor allen te verwezenlijken. En aan deze vrijheidsstrijd werden geen normen vooraf gesteld, zoals bijvoorbeeld het beginsel van geweldloze weerbaarheid of morele waarden die door drankbestrijding waren verworven; deze ascese begrepen wij nog minder. Was mei 1968 immers geen barricadestrijd om steeds meer verworvenheden voor allen te veroveren? Betekende de anarchie dan geen verdeling van overvloed?
Hoe dan ook: na de maagdenhuisbezettingen van 1969 en tijdens de opkomst van de Kabouterpartij sloten er zich heel veel jongeren, met name studenten en scholieren, zich bij de anarchistische beweging aan. Hiervan profiteerde vooral de Federatie van Vrije Socialisten, die zijn afdelingen in Groningen, Leeuwarden en Assen zag uitbreiden tot zeer actieve kernen in Amsterdam en Beverwijk. De redactie van De Vrije miste deze kansen; zij viel plotseling als gevolg van privé-problemen uiteen . Daarom besloten de FVS en De Vrije samen te gaan: het individueel-anarchisme van weleer had plaats gemaakt voor anarcho-syndicalisme, en het is symbolisch dat het laatste nummer van de oude Vrije afsloot met een stuk van Albert de Jong over de positie van anarchisten in het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties, (OVB), de laatste publicatie vóór zijn dood. Op 1 en 2 mei 1971 werd de Federatie van Vrije Socialisten definitief een landelijke organisatie: de De Vrije en Recht voor Allen fuseerden en werden het orgaan van de federatie. Een redactieraad, met open vergaderingen zou de controle op het blad garanderen, en verder zou de organisatie worden uitgebouwd over heel Nederland met twee congressen en verschillende landelijke huishoudelijke bijeenkomsten. Al die bijeenkomsten waren openbaar, iedere anarchist kon vanuit zijn plaatselijke groep de landelijke groep congtroleren.
De eerste activiteit van de nieuwe federatie was de Pinksterlanddag 1971 op 28-31 mei 1971. Het was meteen een internationaal congres van anti-autoritaire revolutionairen, waarin "getracht zal worden een strategie te bepalen, om het kapitalisme de nek om te draaien." Het zou een conferentie worden met een gedachtenuitwisseling met kameraden uit België, Duitsland en Frankrijk, met een poging om een actie voor de vrijheid van Valpreda te bewerkstelligen. Ik ben er zelf niet bij geweest, maar het congres moet in zijn streven naar een grootse eenheidsresolutie zijn verzand in een discussies. Met name over geweld en geweldloosheid, de geldigheid van de term klassenstrijd. Het zwaartepunt van de discussie vond op de zaterdagavond plaats, omdat dan iedereen aanwezig was; 's middags werd immers aan demonstraties besteed, ik meen tegen het straaljagergeweld van een militaire vliegveld in de buurt. En de avond moet bovendien zeer ongebruikelijk zijn afgesloten omdat enkele Duitse kameraden tijdens de discussies openlijk met een fles jenever rond gingen. ..Want wij deden eigenlijk niets anders dan discussiëren, een enkele keer vonden we elkaar nog in wat strijdliederen, waarin we elkaar dan op de zondagavond vonden. Met als instrumenten de gitaar en de trekharmonica van de gebroeders De Groot....
Tegen kapitalisme, imperialisme of tegen het geweld?
In feite was de structuur van de federatie minder stabiel door de steeds wisselende opkomst en het verloop van plaatselijk enthousiasme. De landelijke bijeenkomsten (redactieraden, huishoudelijke vergaderingen, congressen) waren serieuze vergaderingen met een vaste agenda, waarin zowel de leden van de centrale organisatie als de plaatselijke organen verslag dienden af te leggen. Elke landelijke vergadering had dus een vaste agenda met een vast programma en dat gold ook zo'n beetje voor de Pinksterlanddagen...
Omdat ik al in De As over de "ideologie" of "theorievorming" van de federatie als anarchistische beweging heb geschreven, beperk ik me hier tot een beschrijving van de sfeer, die voor jongere generaties wel erg disciplinair en idealistisch zal voorkomen. Maar wij zagen daar een noodzaak in, omdat wij altijd gereed moesten staan om als agitatoren de directe arbeidersstrijd te ondersteunen. Wanneer de massaas klaar zouden zijn om kernen voor maatschappijverandering te scheppen, moesten wij van de Federatie met onze propaganda de solidariteit organiseren en zo de fakkel verder dragen. Wij namen dat even serieus als nu de de antiglobalistische vredeswachten de mobilisatie tegen de nieuwe golfoorlog.
Meestal bestond een vergadering van de federatie uit bijdragen en rapporten van de activiteiten en afdelingen zelf, waarbij daarnaast theoretische uitgangspunten vanuit een brochure of traktaat op tafel werden gebracht. Een dergelijke verhandeling werd niet zomaar aangenomen: het moest collectief gedachtegoed worden, dus gingen daaraan onvermijdelijk schriftelijke discussies vooraf. In De Vrije Socialist zou dat allemaal ter discussie moeten worden gesteld. Vanaf het begin werd dit blad dan ook overladen door kopij van allerlei schrijvers, die volgens goed anarchistisch beginsel allemaal het recht hadden gepubliceerd te worden. Maar helaas: het blad kon dat niet aan, zowel redactioneel als financieel. Het gevolg was dat alle bijeenkomsten in Appelscha en elders daverden van de protesten tegen censuur van de redactie èn over de vraag hoe de drukker (ook een federatielid) moest worden betaald - omdat het abonnementsgeld niet werd geïnd.... En zo kwam het dat, tot verbazing van idealistische nieuwe leden, plotseling tijd moest worden uitgetrokken uit controversen over de drukkerskosten en het kasbeheer. Dat het hier ging om een anarchistische integriteitsmoraal, die in ieder geval zo oud is als de vooroorlogse anarchosyndicalistische problemen rond de anarchistische vakbondsleider en dichter Henk Eilkeboom (Soldaten en arbeiders, staakt! staakt! STAAKT!), is bij controversen om kwesties van goede trouw over eigendom en kapitaal voor jongere anarchisten natuurlijk moeilijk uit te leggen. Dat is dan ook nooit gebeurd, met name niet toen - later dan wanneer dit verhaal speelt - een conflict van de eigenaren over de eigendomsrechten van de camping leidde tot uitsluiting van het recht om deel te nemen aan anarchistische comités als het beheer van het FIS. En toegegeven: het generatieverschil bewees zich ook door de vindingrijkheid waarmee wij jongeren soms wel eens het alcoholverbod op het kampeercentrum probeerden of effectief wisten te ontduiken...
Het debat bij dit soort bijeenkomsten was niet in groepjes, maar gemeenschappelijk, en soms werd er ook een gemeenschappelijke verklaring geaccepteerd en verspreid. Maar omdat daarover niet mocht worden gestemd, werden we het zelden eens. En wat belangrijker was, deze bijeenkomsten vonden vanaf 1972 lang niet altijd in Appelscha plaats.
Want omdat de federatie nu eenmaal bestond uit plaatselijke groepen in heel Nederland,was het belangrijk dat de landelijke congressen rouleerden. Er waren wel bijeenkomsten in Appelscha, maar niet altijd in Pinksteren. De Pinksterlanddagen waren voor het Noordelijk Gewest, maar er was ook een afdeling Amsterdam, Zuidoost (Nijmegen en Roermond) en Zuidwest, met kernen in Leiden. Rotterdam (De Vrije) en Eindhoven, later ook Utrecht en Den Haag. De landelijke congressen en de landelijke huishoudelijke vergaderingen werden dan ook afwisselend door de verschillende afdelingen georganiseerd. De beruchte conferentie waarbij het Arsjinov-platform werd "aangenomen" vond bivoorbeeld in de paasdagen van 1973 en in Nijmegen plaats. Daaraan vooraf ging een conferentie in Bornerbroek, met een grote rol voor de filosoof Fons Elders, en veel theorievorming. Daartussen vonden ook huishoudelijke congressen plaats, die zich in allerlei plaatsen afspeelden, en waar vooral het blad De Vrije Socialist ter discussie stond en de redactie prompt werd vervangen. Daardoor ontstonden er verschillende landelijke inloopcentra, zoals het anarchistisch café in de Lastageweg in de Nieuwmarkt- of Bethanien-buurt in Amsterdam, een van de verzetshaarden tegen de sloop van de Nieuwmarkt in de winter van 1974-1975, totdat zij massaal militair politiegeweld werden geruimd.. Daarna werd een woonboot afgehuurd, en dat was één van de plaatsen waarin de crisis van 1975 werd uitgevochten. Appelscha was dus voornamelijk de vergaderplaats voor het Noordelijk Gewest, met naast de gevestigde bekende groep een aantal nieuwe werkgroepen in Groningen, Leeuwarden en Assen, die een nieuwe generatie vormden.
Strijdpunt en pispaal van al deze debatten was De Vrije Socialist, die uit een overvloed van kopij moest selecteren. Er was nauwelijks een huishoudelijk congres, redactieberaad of andere soort van landelijke bijeenkomst, waarbij door enige actie van onderaf geen koppen rolden Op 23 en 24 april 1972 werd besloten tot de oprichting van twee organen: het interne bulletin Anarcho-info en de beschikbaarstelling van het Fonds voor Internationale Solidariteit voor slachtoffers van anarchistische repressie. De plaatselijke afdelingen legden verslag af van hun bijeenkomsten in Anarcho-info, .en met name van de acties die zij hadden gevoerd.
.Het nieuwe discussieplatform Anarcho-info bracht weinig soelaas, al gaf dat ruimte voor alle meningen; het "externe propagandablad" De vrije socialist bleef onder vuur van een voortdurend discussiërende achterban; de uitgevers van Recht voor Allen en de oude Vrije begonnen opnieuw aan een eigen blad: De AS (oorspronkelijk: de Anarcho-syndicalist, later: de Anarcho-socialist) voldeed aan de behoefte van een periodiek verschijnend theoretisch themablad als Anarchy, dat naast het Engelse anarcho-syndicalistische blad Freedom verscheen, of het Italiaanse Volontà. Recht voor Allen werd heropgericht als de spreekbuis van de oude garde van het Noordelijk Gewest.
In Appelscha stonden dan ook noordelijke groepen rond De Vrije Socialist en Recht voor Allen diametraal tegenover elkaar, in 1974 viel de Pinksterlanddag uiteen, en vanaf dat jaar zocht ook de jongerengroep van het Noordelijk Gewest naar andere vergaderplaatsen. Ik volsta hier te vermelden dat deze tegenstellingen los staan van de crisis die in de jaarwisseling 1974/1975 ontstond door de aanmelding van een deel van de Eindhovense Rode Jeugd als actiegroepen binnen de Federatie. De enige overeenkomst was dat in beide gevallen groepen anarchisten grenzen wensten te stellen aan de anarchistische solidariteit, een proces dat onvermijdelijk is als men vanuit de organisatie bewegingen wil gaan formuleren.. Het gevolg was dat in 1975 de federatie ophield een bindmiddel van alle anarchisten te zijn.
De wegen van het geluk
"Want je wordt ouder, papa"
Mong Rosseels
Wanneer we de geschiedenis van de anarchistische beweging na 1975 bezien, dan blijkt Appelscha geleidelijk in de belangstelling toe te nemen. De landelijke congressen vonden in de eerste plaats vooral elders plaats, met name omdat er na verschillende uittredingen de Federatie herordend moest worden. In het najaar van 1975 vond er een conferentie in Eindhoven plaats die de volledig uitgetreden redactie van De vrije socialist verving, terwijl ook een nieuw federatiesecretariaat werd vastgesteld. In 1977 vond, mede op initiatief van kameraden uit Utrecht een nieuwe discussie in Appelscha plaats op de PL, waarbij vooral de nadruk werd gelegd op affiniteit en onderlinge relatie. De klassenstrijd, die tot dan toe centraal stond, maakte plaats voor een discussie over anarchistische leefwijzen, productieve associatie en de creatie van alternatieve samenlevingen, vooral onder inspiratie van Murray Bookchin. In dat jaar besloot een gehalveerde Federatie en De Vrije Socialist weer toe te treden tot de Pinksterlanddag die door 40, althans minder dan honderd mensen werd bezocht, wat ook door het Noordelijk Gewest als een dieptepunt werd beschouwd.. De sfeer was slecht, de discussies waren niet veranderd. Het belangrijkste was wel dat een nieuwe Amsterdamse groep, de Spuigroep, verkende in hoeverre het oude "socialisme van onderop" verenigbaar was met het anarcho-syndicalisme. De Spuitgroep bestond uit jonge vakbondsleden, deels ABVA, deels OVB en de dichter-kunstenaar José Estevaõ, die een uitstekend recept had voor pasta en bovendien mandflessen Portugese wijn wist mee te nemen. En daarmee initieerde hij althans voor mij de jaren in Appelscha een aparte catering op een open plek buiten het kampeerterrein. Daar kookten we met het droge dennenhout de pasta, op een plek vrij van de controle op het drankgebruik...
Het sceptisch verslag van Tom Welschen over het verloop van de landdag ontmoedigde ons niet om de landdag in 1978 groots aan te pakken. Er kwamen 400 deelnemers, opnieuw aangelokt door het internationaal karakter van het congres en soms om voor de zoveelste maal eens een nieuwe motivatie voor de Federatie te formuleren. We besloten tot een grotere autonomie van de plaatselijke groeperingen, die niet alleen actie- en propagandagroepen waren (zoals bijvoorbeeld Den Haag), maar ook productieve associaties en affiniteitskernen. Het feit dat er in Amsterdam een Spuigroep bestond maakte het mogelijk dat er ook andere groepen konden bestaan. Maar de wil van de organisatoren om vanuit een nieuwe eenheid op basis van affiniteiten inspiratie te putten, leed schipbreuk. Talrijker werden de initiatieven van groepen, die zichzelf buiten de anarchistische beweging plaatsen, maar wel anarchistische actie voerden, zoals Onkruit en de Antikernbeweging, later ook de zich politiek organiserende krakers. Nog belangrijker was de principiële afscheiding anarcha-feministische organisaties, naar voorbeeld van de Mujeres libres binnen de Spaanse CNT. In het hierna volgende decennium kenmerkten zij zich door eigen organisatievormen en zoektochten naar eigen structuren zonder de behoefte om gegevens uit te wisselen. Tijdens de PL van 1978 is eigenlijk voor het laatst geprobeerd - en wel door de Federatie - om dit probleem met integratievoorstellen op te lossen. En, zoals bij elke emancipatiestrijd het geval is, liep dit op een falikante mislukking uit.
Voor mij betekende dit het einde van de federatie. Er moesten nieuwe organisatorische kaders komen, die van een ander perspectief uitgingen. In plaats van de directe confrontatie met de samenleving door de organisatie van de anarchie te proclameren (via vakbonden en directe arbeiders en wijkenstrijd) werd de nadruk meer gelegd op "de anarchistische levensstijl" als alternatief voor de maatschappij. Groepen begonnen langs elkaar heen te werken met "thematische onderwerpen" of belangen die ze met een eigen strijdcultuur wilden realiseren, zoals de krakersbeweging.
Toen we in het voorjaar van 1979 besloten de federatie op te heffen, was dat voor de locale groepen juist een extra impuls om in Appelscha bijeen te komen. De leegte die er na het wegvallen van de federatie ontstond moest weer worden opgevuld zodat er spontaan een nieuw kader ontstond. De Spuitgroep wijdde zijn Anarchistisch Stencil-Stapelwerk aan de voorbereiding van de PL 1979. Weer werd het aantal bezoekers overtroffen; Pinksteren was, in tegenstelling tot de vorige jaren, soms met een stralende zonneschijn gezegend. Dit leidde tot een bezetting van het voetbalveld omdat de camping zelf te vol was, en dat zou nooit meer veranderen. Er was een veelheid van discussies, die decentraal werden gevoerd, omdat de verschillende organisaties (o.a. van vrouwen) en thematische studiegroepen nu vorm moesten krijgen. Maar ook was er in de open lucht die legendarische lezing van Rode Reus Dirk de Vroome.. Zaterdag was er Arrabals Picknick in de vertaling van Dick Gevers. Zondag gaven gevangengezette totaalweigeraars aanleiding tot de nodige demonstraties in Groningen. En er was voor het eerst het optreden van Vuile Mong en zijn Vieze Gasten, die op pinksterzondag zowel een kindervoorstelling als hun vierde produktie vormingstoneel Wild West Revue ten gehore brachten; hun voorstellingen zouden nog lang een van de grote trekpleisters zijn. Ik beschrijf deze PL uitvoerig, omdat daarmee een trend werd gezet van Appelscha als blijvend ontmoetingscentrum. Nog waren er niet de uitgebreide boekenkramen, de veganistische catering van Rampenplan en al die voorzieningen die nu bij Appelscha gerekend worden. Dat moest nog voortkomen uit de samenwerkingsverbanden van de krakersbeweging, de antimiltaristische actie en de antikernbeweging, die in dat jaar op gang kwamen en een eigen leven van tegencultuur gingen leiden. En die viel beter samen met de traditie van Appelscha dan de oude federatie. Er kwam een nieuwe Anarchistische Federatie AF, die opnieuw de contacten onderhield, met Karl Kreuger uiteindelijk als internationaal secretaris.
Hoe het afliep
In 1983 bestond Appelscha vijftig jaar, en dat herdachten we met zo'n . Dat was weer eens een natte Pinksteren met ware stortvloeden en waterverlast. Bij gelegenheid van dat gebeuren werd de middagbijeenkomst van zondag 23 mei gewijd aan een herdenking, met redevoering en discussie., Mijn zesjarige dochter Anna was naar Vuile Mong kijken en zag hem huizen verhuren, "waarbij de luxaflex op ging als men op de bel drukte en het water ging lopen als ze aan de lichtknop draaiden." En daarna was er de Roode Poppenkast, die intussen ook alweer legendarisch is geworden. Zelf heb ik toen een redevoering over het wezen van de anarchie gehouden van een half uur en achteraf de verwarring geanalyseerd die er nadien ontstond. Schreef dat ten dele toe aan de slechte nachtrust als gevolg van het lange optreden van punkgroepen als Door Mekaar en The Ex, indertijd met fanfares als De eerste liefdesnacht behorend tot de muzikale krakerscultuur. Mijn conclusie was toen: "[...] ik heb nog nooit zoveel harmonie in Appelscha bespeurd, niet door de weigering om controversen uit de weg te gaan maar waarschijnlijk door het jubileum zelf. Het vijftigjarig bestaan van het kamp werd als een verworvenheid beschouwd, ook al hoefde men het met de tradities der organisatie niet eens te zijn. De strijd tegen de modderoverlast, tegen de onophoudelijke afwas, het allen voedende rampenplan (toen voor het eerst, j.b. in 2003) onopvallend en verbeten gevoerd door al die kameraden van het Noordelijk Gewest met wie we soms zo hartelijk in de clinch zijn geweest, geeft me de overtuiging dat Appelscha ook wel de sociale revolutie zal overleven."
Aan dat laatste oordeel is sedertdien weinig veranderd.
|